Beeldende kunsten In Georgië

Georgiers houden van kunst. En dan niet alleen als toeschouwer: in elke Georgische familie huist wel een kunstenaar. Kunstuitingen, waar onder beeldende kunst, zijn diep geworteld in de Georgische cultuur.

Er is veel aanbod van (eigengemaakte) schilderijen en kunstvoorwerpen in de straten van Tbilisi. Wie de bergen in trekt, vindt daar de traditionele textielkunst (tapijten, doeken, kleding).

Niko Pirosmani Feast at Vintage Time

Colchisch goud
Als vroegste voorlopers van de Georgische beeldende kunst kan het karakteristieke bronswerk en aardewerk beschouwd worden, dat vanaf het derde millennium voor Christus op door oude, proto-Georgische culturen is geproduceerd.

Er zijn veel bronzen wapens en werktuigen gevonden uit deze periode, waaronder de zogenaamde Colchische bijlen. Dit waren sierbijlen met geometrische vormen, astrale tekens en dierfiguren erop. Vanaf de achtste eeuw voor Christus ontwikkelde zich de Colchische goudsmeedkunst. Er zijn prachtige, verfijnde voorwerpen (veelal sieraden) gevonden uit de vijfde vierde eeuw voor Christus..

Georgische textielkunst
Textielkunst is een oude volkskunst in Georgië. Op het platteland wordt nog steeds met de hand wol geverfd met kleurstoffen uit planten. Vervolgens wordt de wol gesponnen en dan geweven of geknoopt. Ook wordt veel vilt gemaakt en verwerkt. Men produceert originele, kleurrijke tapijten, doeken, kleding en hoofddeksels, die vaak nog worden versierd met borduurwerk. Voor de makers zijn deze producten zo'n vanzelfsprekend onderdeel van hun leven, dat ze het niet direct als kunst beschouwen. Oorspronkelijk werden vaak natuurmotieven (dieren en planten) en geometrische patronen gemaakt. Tegenwoordig houden ook Georgische kunstenaars in de steden zich met textielkunst bezig. Zij gaan uit van de oude technieken en motieven, maar geven daar een eigentijdse interpretatie aan.

Tapijtwinkel  in Tbilisi

Georgische christelijke kunst
Na de aanname van het christendom in de vierde eeuw kwam de Georgische beeldende kunst in het teken te staan van christelijke motieven. Er werden iconen geschilderd en in metaal gedreven. De binnenmuren van kerken werden beschilderd met fresco's. De buitenmuren werden voorzien van de reliëfs van christelijke figuren, maar ook traditioneel-Georgische symbolen en motieven zoals wijnranken en geometrische patronen. Helaas is er weinig overgebleven van deze vroegchristelijke Georgische schilderkunst. Meer is bewaard gebleven uit latere perioden en uit de middeleeuwse Gouden Tijd. Er kunnen tientallen kerken genoemd worden waar men schitterende kunstwerken uit deze tijden kan zien.

Gelati Monastery fresco, 10th century

Aan de hand van iconen die tegenwoordig nog bestaan kunnen we zeggen, dat de Georgische icoonschilderkunst een duidelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt. In de achtste eeuw begint de ontwikkeling van drijfwerk. Er zijn prachtige voorbeelden van gedreven iconen uit deze tijd. In de negende eeuw ontstaat een nieuwe stijl van icoon- en frescoschilderen, die gedurende de gehele middeleeuwen blijft bestaan. Uiteindelijk ontstaan drie verschillende richtingen van de beeldende kunsten: ten eerste schilderijen volledig uitgevoerd in verf, op hout of op goud, met gebruikmaking van emailleringstechnieken, ten tweede in metaal gedreven iconen op goud of zilver en iconen die half in verf, half in drijfwerk uitgevoerd zijn en tenslotte frescoschilderkunst.

Veel Georgische schilders hadden een opleiding gevolgd aan een Byzantijnse schilderschool. Toch zijn er vanaf de vroegste tijden typisch Georgische kenmerken in iconen, fresco’s en ornamenten te zien, die duidelijk verschillen van de Byzantijnse stijl. Tussen afbeeldingen van heiligen werden ook de portretten van koningen en hun familie geschilderd, zoals die in Vardzia van koningin Tamar en die in de Gelati-kathedraal van koning David.

Georgische schilderkunst in de negentiende en twintigste eeuw:
Vanaf de negentiende eeuw kwamen in Georgië nieuwe vormen van schilderkunst tot bloei. Georgische kunstenaars kregen na de inlijving van Georgie bij het Russische tsaristische rijk de mogelijkheid om naar West-Europa (met name Parijs) te reizen en kennis te nemen van nieuwe stromingen in de Europese kunst.  Schilders beeldden niet langer alleen religieuze motieven af, maar schilderden landschappen en andere wereldlijke scènes. Hun schilderkunst geeft een rijk beeld van het toenmalige dagelijks leven in Georgië. Ook werden interpretaties geschilderd van oude Georgische verhalen en legendes zoals ‘De man in het pantervel’ van Shota Rustaveli. De beroemdste Georgische schilder uit deze periode is Niko Pirosmanashvili (1862 - sterfdatum onbekend), beter bekend als Pirosmani. De schilderijen van Pirosmani geven in een naïeve stijl een beeld van het toenmalige Georgië: kleding, gedrag en dagelijkse bezigheden. Ook is zijn belangsteling voor de natuur en dieren duidelijk te zien. Pirosmani heeft in meerder schilderijen de Georgische tafeltradities weergegeven, zoals in “feestje bij de famile Gvimradze”. 

Andere beroemde schilders uit deze ‘modernistische’ periode zijn Davit Kakabadze, Lado Gudiashvili, Shalva Kikodze en Elene Akhvlediani. Elk van deze schilders heeft een duidelijke eigen stijl. Toch komt in de schilderijen steeds tot uitdrukking, dat Georgië in deze periode meer dan ooit een kruispunt was van Westerse en Oosterse culturen, en van tradities en vernieuwing. Het resultaat was en is een unieke, geheel eigen sfeer.
 
Mose Toidze - Bazar
Tussen 1918 en 1921 was Georgië korte tijd onafhankelijk. In 1921 werd het land echter ingelijfd bij de Sovjet-Unie. Tot 1991 werd de ontwikkeling van de Georgische beeldende kunst mede bepaald door de socialistische ideologie. Deze kan omschreven worden als ‘socialistisch in vorm, nationalistisch van inhoud’.

Georgische beeldend kunstenaars beperkten zich niet tot het verplichte afbeelden van de grote leiders en het gelukkige sovjetvolk, maar handhaafden de typisch Georgische elementen en creativiteit zien in hun kunst. Vaak was er ook een ‘dubbele bodem’, om de toets van de ideologie te kunnen doorstaan. Vanaf de jaren vijftig produceerde een jonge generatie ‘vrijzinnigen’ werken waarin kleur een belangrijke rol speelde. Ondanks de gesloten grenzen wisten de kunstenaars nog verbazingwekkend veel op te pikken van internationale ontwikkelingen in de kunst. Vanaf de jaren zestig ontstond hernieuwde aandacht voor het Georgische landschap en etnografie. Deze ontwikkeling bereikte haar hoogtepunt in de jaren tachtig, toen de Georgische maatschappij steeds sterker in de ban kwam van religieuze en nationale thematiek.

Nieuwe vrijheid
In 1991 werd Georgië onafhankelijk en gingen de grenzen weer open. Het uitoefenen van het orthodox-christelijke geloof is weer voluit mogelijk. Er worden nieuwe kerken gebouwd en oude gerestaureerd. Een nieuwe generatie kunstenaars geeft een eigen richting aan de frescoschilderkunst. Ook worden er weer veel iconen geschilderd. Er zijn scholen geopend waar men de oude christelijke kunst bestudeert en op grond daarvan nieuwe ontwikkelt.

L.Gudiashvili en E.Achvlediani

Er is sinds de onafhankelijkheid een Georgische diaspora ontstaan: sommige Georgische kunstenaars verlieten hun land om in West-Europa, Amerika en andere delen van de wereld verder te werken. Voor kunstenaars die in Georgië bleven, kwam veel nieuwe informatie en daarmee inspiratie beschikbaar over kunststromingen en –vormen. In vergelijking met de oudere generatie Georgische kunstenaars, die teruggrijpen naar het realisme uit de sovjettijd, zijn de werken van de nieuwe generatie kunstenaars vaak poëtischer en meer geïnspireerd door recente gebeurtenissen. Door de hervonden individuele vrijheid ontstaat een grotere diversiteit aan kunstvormen en stijlen. Kenmerken zijn jong, eigenzinnig en vervreemdend. Opvallend is tegelijkertijd dat de nieuwe generatie, zelfs de kunstenaars die zich in het buitenland gevestigd hebben, blijven werken met een nostalgische hang naar de Georgische cultuur en identiteit, religieuze thema’s en overpeinzingen over het lot van hun moederland.